Net zoals voor de abdijgebouwen is er ook van het Lijsdonkhof een tekening overgebleven, dit keer uit de zeventiende eeuw (1641). Ook deze tekening moet met het nodige voorbehoud bekeken worden. Sanderus schonk enkel aandacht aan het kasteeltje en de rest moet met een korreltje zout genomen worden. Zo zou de grote schuur (in de rechterhelft van de afbeelding) op het neerhof te veel naar rechts staan. En het landschap is in deze streek natuurlijk niet zo heuvelachtig als de tekening laat uitschijnen.

 

Ligging in de Leebrugstraat:

Hier en daar nog een oud boerderijtje: links de Brandbezen en rechts Boogscheut. De Leebeek oversteken (even een blik links de kaarsrechte weg naar Leebrug). Het gehucht heet Lijsdonk (‘Lysdonck’), dit wil zeggen: ‘lisriet op een opduikende hoogte (-donk)’. De Lysdonckhoeve bestaat nog steeds, is een beschermd monument, dat gerestaureerd wordt door de huidige eigenaar. De villa ernaast staat op de plaats van het voormalige kasteel, maar werd nieuw opgetrokken gebouwd in de vroege 20ste eeuw en herbouwd op het einde van de 20ste eeuw.
Op deze plaats immers stond oorspronkelijk het buitenverblijf van de abdij. Wie de 17de-eeuwse gravure van Sanderus bekijkt, ziet een indrukwekkende burchthoeve met toren en kapel, een monumentale toegangspoort en een brede wal rondom met buiten de omwalling en in de richting Leebrug kleinere hoeven en uitgestrekte landouwen. Het oude domein, waarop de de Lysdonckhoeve staat, is sinds 1998 eigendom van de familie De Gendt. 

Wat je nog niet wist:

De Leestraat volgt een heel rechte lijn vanaan de Leebrug tot aan de Hulstbaan. Oorspronkelijk was het de bedoeling om de waterloop door te trekken naar Waasmunster omdat de schepen op die manier heel de bocht met Lokeren, Daknam, zouden kunnen vermijden. Op de kaart is het nut van dit idee duidelijk te zien. Als je de lijn doortrekt ziet u dat via Heiken en Ruiter perfect de Durme kon worden opgevaren.

 

Geschiedenis:

Over het Lijsdonkhof valt er wel een en ander te vertellen. In 1296 schonken de gezusters Tincke, wiens broer Boedyn monnik was in de abdij van Boudelo, al hun goederen aan de gemeenschap van Boudelo. Onder die goederen bevond zich onder andere het Lijsdonkhof. Voorwaarde was wel het levenslange behoud van vruchtgebruik voor zichzelf, hun broer Boedyn en hun neven in de eerste graad. In 1305 werd de gift bekrachtigd door Beatrix, de laatst overgeblevene van de gezusters Tincke, en in 1351 tenslotte werd het hof door de vierschaar van Vrasene definitief aan de abdij toegekend.

Het Lijsdonkhof bleef in 1578 gespaard van de vernielingen die de oorspronkelijke abdijgebouwen wel troffen. Het was niet zo maar een pachthof. Het kasteeltje dat zich op het bovenhof bevond, werd namelijk vooral in de zeventiende en de achttiende eeuw door de abten van Boudelo als zomerverblijf gebruikt. In deze eeuwen kende het Lijsdonkhof een rustige geschiedenis. De verandering kwam aan het einde van de achttiende eeuw. Als gevolg van de zware boetes die de abdij moest betalen aan de Fransen, gingen de monniken over tot de verkoop van hun onroerende goederen. Op 28 februari 1795 werd het volledige Lijsdonkhof verkocht aan Jan Frans Van Waesberghe. In het begin van de negentiende eeuw werd het kasteeltje dat bij het hof hoorde volledig afgebroken, zodat er momenteel niets meer van overblijft. Van het oorspronkelijke pachthof bleef enkel nog de schuur overeind. De schuur is blijven staan tot op de dag van vandaag en het is deze schuur die op de foto hieronder is weergegeven.

Lijsdonkhof volgens Sanderus (1ste helft 17de eeuw)

  

Lees ook: http://www.klein-sinaai.be/geschiedenis/oude-verhalen/175-de-onderaardse-gang-naar-lysdonck

 

 

Bezoek van Maria Christina van Oostenrijk (1742-1798) aan Lysdonck.

Maria Christina van Oostenrijk (Habsburg-Lotharingen) (Wenen, 13 mei 1742 – aldaar, 24 juni 1798) was het derde kind van Frans I Stefanus, hertog van Lotharingen en de Habsburgse keizerin Maria Theresia van Oostenrijk.
Ze trouwde op 8 april 1766 te Wenen met Albert Casimir van Saksen-Teschen, landvoogd van de Oostenrijkse Nederlanden van 1780 tot 1793. Omdat Frans Stefan kort tevoren was overleden werd er tijdens de bruiloft zwart gedragen. Het huwelijk, dat als gelukkig te kenmerken is, bracht Albert Casimir uit de nalatenschap van zijn schoonvader diens bezittingen rond Teschen in Silezië, waaraan de titel hertog van Teschen werd verbonden.
Tussen 1782 en 1784 werd voor het paar als buitenverblijf te Brussel het Kasteel van Laken gebouwd. Na enkele moeilijke jaren (Brabantse Omwenteling en oorlog tegen de Fransen) vestigde het paar zich in 1795 te Wenen. Maria Christina overleed aldaar, ruim een maand na haar 56e verjaardag aan tyfus.
Maria Christina was goed bevriend met de vrouw van haar oudere broer, keizer Jozef II, prinses Isabella Maria van Bourbon-Parma, met haar broers en zussen kon ze het niet vinden. Enerzijds omdat ze de favourite van hun moeder was en alles doorbriefde en anderzijds door het grote leeftijdverschil. Ze was dertien jaar ouder dan Marie-Antoinette en had bijna haar moeder kunnen zijn. Ook toen Maria Christina in Brussel resideerde waren de verhoudingen met haar zuster en zwager in Versailles slecht[1]. Bijzonder was dat Maria Theresia haar oudste dochter toestond om uit liefde te trouwen.